Meedoen is een jeukwoord
“Meedoen.”
Zo’n woord dat je vaak hoort in beleid, bijvoorbeeld: “iedereen die mee wil doen, moet mee kunnen doen.”
Het klinkt mooi en vriendelijk, maar eerlijk gezegd veroorzaakt het bij mij al tijden vooral jeuk (krab, krab). Dus hoogste tijd om daar eens iets over te schrijven.
Wat wordt eigenlijk bedoeld met dat woordje meedoen?
Volgens mij gaat het over een bestaand systeem, volledig ingericht op horende mensen. Daarna wordt gekeken hoe ik, als dove vrouw, binnen dat systeem kan meedoen. Er wordt gekeken naar hulpmiddelen, ondertiteling in video’s en de inzet van een tolk gebarentaal, zodat communicatie wat toegankelijker wordt.
Maar is dat eigenlijk wel inclusie? Als iemand kan meedoen, betekent dat dan automatisch dat het systeem inclusief is? Mijn antwoord is: nee.
Laat ik mijn werk als voorbeeld nemen:
Op mijn werk kan ik alleen meedoen als er een tolk gebarentaal bij is. Zonder tolk kan ik niet deelnemen aan vergaderingen, overleggen, evenementen, trainingen of andere gesprekken. Dat maakt mij enorm afhankelijk. Want stel dat de tolk ziek wordt. Dan kan ik ineens niet meer meedoen.
Tijdens een vergadering maakt een tolk communicatie mogelijk. Maar als de vergadering een uur later voorbij is en de tolk naar huis gaat, ben ik weer terug in een systeem dat niet voor mij is ontworpen. De toegankelijkheid van communicatie is dan weer weg.
Alleen tijdens geplande momenten kan ik meedoen. Maar het echte leven speelt zich niet alleen af in geplande momenten.
Communicatie is overal!
Bij het koffieapparaat.
In de gang.
Op de wc.
In kleine gesprekken die spontaan ontstaan.
En juist op zo'n moment is er geen tolk gebarentaal. Terwijl het precies dán gaat over erbij horen.

Dit plaatje laat zien hoe inclusie bij communicatie een uitdaging is. Boven: een horende persoon tussen twee gebarende mensen. Onder: een dove persoon tussen twee pratende mensen. Zo voel je meteen hoe communicatie niet vanzelfsprekend is, en waarom een plek waar gebarentaal normaal is, een zogeheten Deaf Space, ontzettend belangrijk is.
Voor horende mensen gaat communicatie vanzelf. Gesprekken ontstaan spontaan, zonder dat je erover hoeft na te denken. Voor dove mensen is communicatie bijna altijd iets wat je moet organiseren en plannen. En die geplande communicatie noemen we dan: meedoen. En eerlijk? Dat is helemaal niet leuk.
De dovengemeenschap is namelijk niet alleen een groep mensen met een beperking die hulpmiddelen nodig hebben. Het is ook een culturele minderheidsgroep met een eigen taal en cultuur. Nederlandse Gebarentaal is niet voor niets (alweer 5 jaar) een officieel erkende taal.
Toch blijft inclusie vaak hangen bij aanpassingen: we regelen een tolk gebarentaal zodat doven kunnen meedoen. Maar echte inclusie vraagt iets anders.
Het gaat niet alleen over de vraag: hoe laten we dove mensen meedoen? Maar ook: hoe maken we ruimte in de samenleving voor andere manieren van communiceren?
Voor dove mensen betekent inclusie ook plekken in de samenleving waar gebarentaal normaal is. Waar communicatie vanzelf gaat. Waar je niet eerst hoeft te regelen, plannen of organiseren voordat een gesprek kan beginnen. Een omgeving waar gebarentaal de basis is.
Een Deaf Space.
Niet als uitzondering, maar als een vanzelfsprekend onderdeel van de samenleving.
Dus nee, ik wil niet alleen maar meedoen. Ik wil niet steeds afhankelijk zijn van oplossingen die een systeem een beetje aanpassen. Ik wil gewoon kunnen bestaan in mijn eigen taal.
En misschien begint echte inclusie pas op het moment dat we dát serieus nemen.